
Donderdag 12 februari promoveerde onze columnist Iaira Boissevain aan de Universiteit Utrecht. Als jurist met een groot hart voor dieren én voor de mensen die voor hen zorgen, richtte ze zich op een onderwerp dat ons allemaal raakt: het veterinair tuchtrecht. Wat begon als waarborg voor kwaliteit, is voor veel collega’s inmiddels een bron van stress. Boissevain dook diep in het systeem en komt met stevige aanbevelingen.
Wie is Iaira Boissevain?
Iaira Boissevain is al jarenlang betrokken bij het veterinair tuchtrecht, zo lang zelfs, dat ze het jaartal liever in het midden laat. Als advocaat bij SKE Advocaten staat ze dierenartsen en paraveterinairen bij in tuchtrechtzaken, en behandelt daarnaast dossiers op het gebied van medisch tuchtrecht, arbeidsinspectiezaken en ander sanctierecht. Maar dieren blijven haar grote liefde. Ze is zelf eigenaar, en weet dus precies hoe het voelt om met koud zweet een diagnose af te wachten.
Voor haar is het duidelijk: “Zonder dierenartsen houdt het houden van dieren op. Alleen al daarom moeten we deze beroepsgroep koesteren. For better, for worse, in sickness and in health.”
Tuchtklachten: toetsing of trauma?
Een klacht bij het Veterinair Tuchtcollege is zelden zwart wit. Natuurlijk moet er een systeem zijn om de kwaliteit van het vak te borgen. Maar wat als dat systeem zélf schade aanricht? Wat als collega’s zich niet beter voelen van toetsing, maar murw en moe?
In haar proefschrift Veterinair tuchtrecht: ruimte voor verbetering analyseert Boissevain tuchtzaken uit de periodes 2001–2016 en 2020–2023. Ze combineert die data met enquêtegegevens onder dierenartsen en vergelijkt het Nederlandse systeem met dat van België, het Verenigd Koninkrijk en de Nederlandse advocatuur.
De uitkomst is helder: het kan beter. En het moet beter, als we willen dat toetsing écht bijdraagt aan kwaliteit.
Wat gaat er mis?
Boissevain laat zien dat het huidige systeem leidt tot defensief werken, onzekerheid en soms zelfs burn-out. Collega’s voelen zich overgeleverd aan willekeur in de beoordeling van klachten, mede doordat de toetsingsnorm (‘zorgvuldig handelen’) veel ruimte laat voor interpretatie. De ene tuchtzaak wordt wél ontvankelijk verklaard, de andere – met vergelijkbare omstandigheden – niet. Dat ondermijnt het vertrouwen.
Daarbij komt dat publicatie van uitspraken nog altijd versnipperd gebeurt. Uitspraken zijn technisch wel beschikbaar, maar zelden toegankelijk ontsloten op een manier die de beroepsgroep echt iets leert. En dus blijft de leerfunctie waar tuchtrecht juist op gestoeld zou moeten zijn, te vaak uit.
Haar pleidooi: maak het systeem leerzamer
Boissevain pleit voor een steviger fundament: helderdere toetsingsmaatstaven, eenduidiger communicatie over normen, en meer focus op de leerwaarde van het tuchtrecht. Denk aan betere richtlijnen, meer aandacht voor context, en maatwerk in plaats van standaard straffen. Ook haalt ze inspiratie uit andere systemen waarin ruimte is voor bemiddeling of peer review, vóórdat er sprake is van een formele klacht.
Tijd voor herziening
Wat Boissevain met dit proefschrift helder maakt: tuchtrecht moet geen strafsysteem zijn, maar een middel om de kwaliteit van ons vak verder te brengen. Mét oog voor de context, voor de vakinhoud én voor de persoon achter de klacht. Haar aanbevelingen bieden concrete handvatten om tot zo’n systeem te komen.
De promotie is daarmee veel meer dan een academisch moment. Het is een oproep aan de sector, aan beleidsmakers en aan onszelf.
Want durven we kritisch te kijken naar hoe we kwaliteit borgen? En zijn we bereid daarin te verbeteren?


