
Dit tweede artikel in ons drieluik over hygiëne in de dierenartsenpraktijk, geschreven in samenwerking met Sarah Proot, richt zich op het belang van een schone omgeving. Een goede omgevingshygiëne gaat verder dan netjes opruimen; het vraagt om een gestructureerde aanpak voor reiniging, desinfectie en sterilisatie van zowel de praktijkruimtes als het materiaal. Zo’n aanpak kan letterlijk het verschil maken tussen een gezonde en een zieke patiënt.
Het belang van een schone praktijkruimte en goed gesteriliseerde instrumenten is misschien wel net zo belangrijk als het correct uitvoeren van handhygiëne. Infecties worden vaak niet alleen overgedragen via direct contact, maar ook door een onvoldoende gereinigde omgeving. In de veterinaire sector lopen wij daarbij nog een extra risico, omdat onze patiënten vaak zelf bijdragen aan een minder schone praktijkruimte. Denk maar aan dieren die uit zichzelf overal aan likken of op onderzoek gaan. Onderzoek van Stull and Weese heeft aangetoond dat omgevingshygiëne een belangrijke rol speelt in het voorkomen van infecties in dierenartspraktijken.
De omgeving als besmettingsbron
Elke hoek van de praktijk kan een potentiële bron van infectie zijn: van de behandelkamer tot de wachtruimte en zelfs de kantoren waar administratie wordt gedaan. Het is van groot belang dat elke ruimte regelmatig wordt gereinigd en gedesinfecteerd, met speciale aandacht voor oppervlakken die vaak aangeraakt worden, zoals deurklinken, behandeltafels en computers.
In veel gevallen kan de groothandel die je voorziet van medische materialen ook ondersteuning bieden bij het selecteren van de juiste reinigings- en desinfectiemiddelen. Er zijn specifieke producten die afgestemd zijn op het doden van veelvoorkomende bacteriën, schimmels en virussen in de klinische omgeving, en het is belangrijk om te weten welke middelen effectief zijn tegen de pathogenen waarmee je mogelijk te maken krijgt. Onderzoek van Ruple-Czerniak et al. benadrukt dat intensieve zorgafdelingen in dierenartspraktijken kwetsbaar zijn voor ziekenhuisinfecties, waardoor een strikte hygiëne essentieel is.
De frequentie van schoonmaken is ook belangrijk. Voor ruimtes zoals de operatie- en behandelkamer moet een strikt schema voor dagelijkse reiniging worden aangehouden, terwijl bijvoorbeeld de wachtkamer misschien vaker per dag moet worden aangepakt, afhankelijk van het aantal patiënten en bezoekers. Het opstellen van een schoonmaakschema dat alle ruimtes en materialen omvat, kan helpen om niets over het hoofd te zien.
Reiniging, desinfectie en sterilisatie: wat is het verschil?
Een veelgemaakte fout is het door elkaar halen van reiniging, desinfectie en sterilisatie. Hoewel de termen soms door elkaar worden gebruikt, zijn ze niet hetzelfde.
- Reiniging verwijdert zichtbare vuilresten en organisch materiaal, maar doodt geen micro-organismen. Het is een noodzakelijke eerste stap voordat desinfectie of sterilisatie kan plaatsvinden. Een grondige en effectieve reiniging verwijdert ongeveer 90% van alle micro-organismen.
- Desinfectie verwijdert, inactiveert en/of doodt de resterende micro-organismen voor 99.9%. Voor oppervlakken zoals vloeren, behandelbanken en niet-kritische materialen die niet direct in het lichaam van de patiënt worden gebruikt is desinfectie vodloende.
- Sterilisatie doodt alle micro-organismen, inclusief bacteriesporen, en is nodig voor instrumenten die de huid of mucosa penetreren (lees: die direct in het lichaam van de patiënt worden gebruikt), zoals chirurgische instrumenten. Methoden voor sterilisatie kunnen variëren van hitte tot chemische processen, afhankelijk van het materiaal van het instrument.
In veel klinieken wordt sterilisatie uitgevoerd met behulp van een autoclaaf, een apparaat dat hitte en druk gebruikt om instrumenten te steriliseren. Het is belangrijk dat het sterilisatieproces regelmatig gecontroleerd wordt om er zeker van te zijn dat het effectief is, bijvoorbeeld door het gebruik van sterilisatietesten. Richtlijnen van de CDC benadrukken het belang van consistente sterilisatieprotocollen om infecties te voorkomen.
Preventie door omgevingshygiëne
Goede omgevingshygiëne stopt niet bij de dagelijkse schoonmaak. Het gaat er ook om dat we besmetting zoveel mogelijk voorkomen door een slimme indeling van de praktijk en het juiste gebruik van materialen.
Zorg bijvoorbeeld voor een duidelijke scheiding tussen ‘vuile’ en ‘schone’ ruimtes. De ruimte waar chirurgische ingrepen plaatsvinden, moet gescheiden zijn van ruimtes waar potentieel besmette dieren worden behandeld. Ook het gebruik van materialen zoals wegwerpoveralls, schoenhoezen en handschoenen kan helpen om besmetting te beperken.
Het denifieren van bepaalde hygiënezones in de kliniek kan ook bijdragen aan een betere infectiepreventie. Dit betekent dat bepaalde gebieden alleen toegankelijk zijn na het desinfecteren van handen of het dragen van beschermende kleding, zoals we in sommige dierenziekenhuizen zien. Door dit soort hygiënezones te creëren, verklein je de kans op kruisbesmetting tussen verschillende delen van de kliniek.
Omgevingshygiëne is dus meer dan alleen netjes opruimen. Het gaat om een structurele aanpak van reiniging, desinfectie en sterilisatie. Door de praktijkruimte goed schoon te houden en te zorgen voor de juiste procedures rond materiaalsterilisatie, kunnen we de kans op infecties sterk verminderen. Vergeet niet: elke schone ruimte en elk gesteriliseerd instrument draagt bij aan de veiligheid van onze patiënten.
Naar het 1e artikel van dit drieluik – Naar het 3e artikel van dit drieluik


