
Net afgestudeerd en meteen volledig verantwoordelijk voor iedere patiënt die binnenkomt. Veel jonge dierenartsen herkennen dat gevoel van help, moet ik dit allemaal alleen doen. Hoogleraar Harold Bok van de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht vindt die overgang veel te groot en pleit daarom voor een postacademisch vervolgtraject. In zijn oratie legt hij uit waarom dit hard nodig is.
Van collegezaal naar praktijkvloer
Bok weet zelf nog goed hoe het voelt om net te beginnen. Kort na zijn afstuderen kreeg hij de leiding over een dependance van een praktijk. Waar hij zich tot dan toe vooral copiloot voelde, zat hij ineens alleen aan het stuur. Dat ging eigenlijk te snel, vertelt hij. En dat is precies wat hij jonge collega’s nu wil besparen.
Vergelijking met de huisartsen
In de humane geneeskunde is het al jaren normaal dat jonge artsen na hun studie nog een periode in opleiding blijven. Ze hebben supervisie, terugkomdagen, intervisie en een mentor. Bij ons ontbreekt zo’n tussenfase volledig. Dat verschil zie je terug in de cijfers. Van de jonge dierenartsen stapt één op de zes binnen vijf jaar uit de praktijk. Bij huisartsen is dat maar één op de twintig.
Een dierenarts in opleiding
Harold Bok pleit voor een traject van maximaal drie jaar waarin jonge dierenartsen werken als dierenarts in opleiding. Daarbij hoort begeleiding door ervaren collega’s in de praktijk, afgewisseld met terugkomdagen op de faculteit. Reflectie, verdieping en intervisie worden vaste onderdelen. Het gaat niet alleen om vakinhoudelijke groei, maar ook om vaardigheden die minder makkelijk meetbaar zijn, zoals communicatie, samenwerking en omgaan met werkdruk.
De waarde van reflectie
In zijn oratie benadrukt hij dat juist die minder tastbare vaardigheden een groot verschil maken in hoe je je staande houdt in de praktijk. Je leert ze niet uit een boek en ook niet tijdens een tentamen. Reflectiemomenten en intervisie kunnen helpen om bewuster keuzes te maken, lastige situaties te bespreken en te groeien in professionaliteit. Het zijn precies dit soort tools die jonge dierenartsen volgens hem sterker en veerkrachtiger maken.
Hoe regelen we dit
De grote vraag blijft natuurlijk hoe je dit organiseert en wie het betaalt. Bok wijst naar de huisartsenopleiding, waar de Stichting Beroepsopleiding Huisartsen de structuur en financiering regelt. Voor de diergeneeskunde zou een vergelijkbaar model denkbaar zijn, met inzet van universiteiten, overheid en de sector zelf.
Investeren in de toekomst
Een vervolgtraject levert veel op. Jonge dierenartsen maken een zachtere landing in het vak, de kwaliteit van zorg gaat omhoog en de uitval in de eerste jaren daalt. Het diploma zou niet het eindpunt moeten zijn, maar het begin van verdere ontwikkeling, benadrukt Bok.


