
Hoe gaat het er bij onze zuiderburen aan toe als het gaat om het inslapen van huisdieren? Een recent onderzoek onder Vlaamse dierenartsen biedt een inkijkje. De uitkomsten zijn herkenbaar en laten zien dat er veel variatie bestaat in protocollen en middelengebruik, terwijl de communicatie met eigenaren over het algemeen consistent en zorgvuldig verloopt.
Van collega tot collega
De meeste Vlaamse dierenartsen leren euthanasie niet tijdens de opleiding, maar pas in de praktijk. Vaak letterlijk van collega’s. Slechts 23% geeft aan hier tijdens de studie goed op voorbereid te zijn. Toch voeren we deze handeling regelmatig uit en willen we dat dit zo respectvol, rustig en pijnloos mogelijk verloopt. Voor het dier én voor de eigenaar. En laten we wel wezen, ook voor onszelf.
Veel variatie in aanpak
Er blijken grote verschillen te zijn in hoe de euthanasieprocedure wordt uitgevoerd. Medetomidine en ketamine zijn de meest gebruikte middelen voor premedicatie bij zowel honden als katten, respectievelijk door 47% en 50% van de dierenartsen (honden), en 42% en 46% (katten) -bijna- altijd toegepast. Pentobarbital natrium is het meest gebruikte euthanasiemiddel: 79% gebruikt dit vrijwel altijd.
Bij katten zijn de toedieningsroutes opvallend divers: IV, intracardiaal en intrarenaal worden allemaal regelmatig gebruikt. En hoewel de meeste dierenartsen premedicatie toedienen, zijn er ook collega’s die direct overgaan tot het euthanasiemiddel. IM-toediening van premedicatie komt het meest voor: bij 66,8% van de katten en 49,5% van de honden wordt dit vrijwel altijd toegepast.
Bijwerkingen als braken (gemeld door 46% van de dierenartsen), mydriasis, spierspasmen of hypopneu komen nog te vaak voor en kunnen het afscheid voor eigenaren belasten. Vooral medetomidine blijkt hier een rol in te spelen. Toch biedt dit middel ook voordelen zoals diepe sedatie en spierrelaxatie. De kunst is dus om protocollen te vinden die effectief én comfortabel zijn.
De kracht van communicatie
De communicatie met eigenaren wordt door de meeste Vlaamse dierenartsen als goed en vlot ervaren. 93,5% vindt communicatie tijdens de procedure (bijna) altijd makkelijk. 86,9% bespreekt vooraf het verloop van de euthanasie, en 80,1% bespreekt ook de mogelijke bijwerkingen. 65% geeft eigenaren de keuze om al dan niet aanwezig te zijn, en 61% geeft hen een moment om afscheid te nemen.
Ook worden tissues, troost en condoleancekaarten niet vergeten: 79% stuurt (bijna) altijd een kaart. Kleine gebaren die veel betekenen.
Toch geeft een kwart aan dat het soms lastig blijft om het gesprek aan te gaan wanneer de kwaliteit van leven slecht is. Dat herkennen we waarschijnlijk allemaal. Goed kunnen inschatten wanneer het tijd is en daar open over durven zijn, vraagt empathie én zeker ook ervaring.
Wat kunnen we ervan leren?
Wat opvalt is dat de variatie in aanpak deels voortkomt uit een gebrek aan standaardisatie én opleiding. Het blijft dus belangrijk om in teamverband euthanasieprotocollen te blijven bespreken, te evalueren en indien nodig bij te stellen. Ook het meenemen van dit thema in nascholing blijft van waarde. Want hoe meer kennis en routine, hoe beter we het afscheid voor iedereen draaglijk kunnen maken.
Dat de Vlaamse dierenartsen zich bewust zijn van hun rol in dit proces, blijkt wel uit hun wens om dit onderwerp steviger te verankeren in de opleiding. Daar kunnen wij ons alleen maar bij aansluiten.
Lees hier het volledige artikel van dierenarts en onderzoeker Lotte Beirens–van Kuijk (Universiteit Gent) en haar collega’s.


