
Tien jaar na de vorige versie ligt er een vernieuwde consensusrichtlijn over chronische nierschade (CNS) bij katten. iCatCare bracht een internationaal panel van specialisten samen om de diagnostiek en behandeling te actualiseren, met nieuwe aandacht voor vroege opsporing, dieetstrategieën en de zorglast bij eigenaren. Wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk?
Screening blijft de basis, ook zonder klachten
CNS komt bij oudere katten opvallend vaak voor, met een prevalentie tot 81 procent bij katten ouder dan twaalf jaar, terwijl veel van deze dieren in het beginstadium nauwelijks klachten tonen. Dat maakt gerichte screening zo waardevol. De richtlijn adviseert daarom jaarlijkse controle vanaf zeven jaar, oplopend naar twee keer per jaar vanaf tien jaar, waarbij gewicht, bloedonderzoek en urineonderzoek vaste onderdelen zijn. Hoe belangrijk dat is, blijkt uit onderzoek van de Universiteit Gent, waar bij gezond ogende senioren al bij vijftien procent sprake bleek van subklinische CNS.
Diagnose eerst, staging pas daarna
Wie de richtlijn volgt, stelt eerst de diagnose vast en past pas daarna de IRIS stagering toe. Dat onderscheid is belangrijker dan het lijkt, want creatinine binnen de referentiewaarde sluit CNS allerminst uit, zeker niet bij oudere katten met minder spiermassa. SDMA en een lage urinaire soortelijke massa kunnen eerder in het ziekteproces al wijzen op functieverlies, en het panel adviseert om waar mogelijk de eigen baseline van een kat te gebruiken in plaats van enkel de algemene laboratoriumreferentie.
Fosfaat en calcium: verfijnder dieetadvies
Fosfaatbeperking blijft de hoeksteen van de behandeling, met aangetoonde winst voor de overleving. Nieuw in deze richtlijn is de aandacht voor de verhouding tussen calcium en fosfaat in het dieet. Een dieet met een Ca:P verhouding onder de 1,4 op 1 blijkt namelijk het risico op hypercalciëmie te verkleinen, een complicatie die juist kan ontstaan door de fosfaatbeperkte diëten die we voor deze katten inzetten. Een recente studie naar voeding bij hypercalciëmische katten laat zien dat ook chiazaad hierbij een ondersteunende rol kan spelen. Meting van geïoniseerd calcium krijgt hierdoor een grotere rol dan totaal calcium, en ook FGF23 wordt genoemd als parameter om fosfaatbeperking in het vroege stadium te sturen, al is het nog geen geschikte screeningstest.
Molidustat als nieuwe optie bij bloedarmoede
Voor renale anemie was darbepoëtine tot nu toe de gangbare keuze, maar de richtlijn bespreekt nu ook molidustat als alternatief. Dit is een orale HIF PHI remmer die de eigen aanmaak van erytropoëtine stimuleert, en in placebogecontroleerd onderzoek zorgde het middel voor een significante stijging van het packed cell volume. Braken en polycytemie kwamen naar voren als belangrijkste bijwerkingen. Voor katten die moeilijk te injecteren zijn, kan dit een welkom praktisch alternatief zijn.
Pijnbeleid: NSAID’s niet langer taboe bij stabiele CNS
Waar terughoudendheid met NSAID’s bij nierpatiënten lang de norm was, nuanceert de richtlijn dit beeld. Bij stabiele CNS, dat wil zeggen minimale gewichts en creatinineveranderingen over minstens twee maanden, laten lage doseringen meloxicam of robenacoxib geen aantoonbare nierschade zien. Bij instabiele CNS, uitdroging of stadium vier blijven deze middelen wel afgeraden. De richtlijn benoemt daarbij expliciet dat onbehandelde pijn een reëel risico vormt, en dat angst voor bijwerkingen niet zou moeten leiden tot onderbehandeling.
Comorbiditeiten en de leefomgeving van de kat
Hyperthyreoïdie komt vaak samen voor met CNS, en het panel waarschuwt tegen de aanname dat een verhoogd T4 de nieren zou beschermen. Iatrogene hypothyreoïdie na behandeling blijkt juist geassocieerd met kortere overleving, wat het belang onderstreept van zorgvuldige dosering en opvolging. Ook de leefomgeving van de kat krijgt in deze richtlijn expliciet aandacht, aan de hand van het vijf pijlers model: veilige rustplekken, voldoende verspreide bronnen, ruimte voor spel, voorspelbaar contact en respect voor de zintuigen van de kat. Daarnaast wordt de zorglast van eigenaren als serieus onderwerp behandeld, met concrete tips om medicatie en communicatie voor hen te vergemakkelijken.
De volledige richtlijn is open access te raadplegen in de Journal of Feline Medicine and Surgery.


